Home / weblog / sportbeleid / Tom van 't Hek
Tom van ’t Hek en zijn visie op sportverenigingen

Als hockeyinternational speelde Tom van ’t Hek meer dan 200 interlands. Vervolgens werd hij een trainer/coach in dezelfde sport, waarbij hij veel succes oogstte. Inmiddels bestaan zijn werkzaamheden voornamelijk uit presenteren. Onder meer op de radio bij ‘NOS langs de lijn’, maar ook tijdens bijeenkomsten voor het bedrijfsleven. In die hoedanigheid is hij uitermate goed in staat het verschil tussen verenigingen en bedrijven te benoemen. Maar er zijn ook veel overeenkomsten. Wij kunnen veel van elkaar leren, maar ook meer van elkaar gebruik maken. Tom van ’t Hek typeert de ontwikkeling van de vereniging en weet daarbij de vinger op de zere plek te leggen. In dit blog een korte impressie van Van ’t Hek zijn ideeën over dit onderwerp. Reden genoeg tot discussie.
“Het is de vraag of het bedrijfsleven en de sport één op één naar elkaar zijn te vertalen. Die vraag stel ik mijzelf eigenlijk elke dag. Ik denk zeker niet dat dit het geval is. Het bedrijfsleven is echter constant op zoek om in de samenwerking en de samenhang, met daarin de onderlinge verhoudingen tussen mensen, iets te doen. Zij zijn vaak zeer benieuwd hoe dat soort processen in de sport werken. Ik denk dat teamsporten zich hiervoor beter lenen dan individuele sporten. Dit komt doordat de link niet ligt in de technische kant van de sport, maar meer in de interactie tussen mensen. Het integreert mensen.”
“Het feit dat iemand betaald wordt voor zijn werk, betekend voor ons vaak dat dit een professional is. Maar het is maar de vraag of dit zo is. Ik ken namelijk vele amateur-sporters die vele malen professioneler zijn dan andere professionele sporters. Het zijn van vrijwilliger betekend echter niet dat het vrijblijvend is. Dit geldt voor de sporters, maar ook in de organisatie van sport. Als om tien uur de vlaggen op het veld moeten staan, dan moeten deze er ook staan, of je nu vrijwilliger bent of niet. Het feit dat het door een vrijwilliger gebeurt veranderd hier niks aan, anders moet deze persoon niet zeggen dat hij dit wil doen. We leven in een periode waarin alles professioneler moet worden. Overal komen er clubmanagers aan het werk. We leven in een tijd waarin veel mensen iets meer contributie willen betalen, als de club hiermee in de organisatie iets meer overneemt. Wij kopen graag tijd, wat een fenomeen geworden is in de hedendaagse tijd. Het slechtste wat een club kan doen is echter de vrijwilliger aan de kant schuiven. Ik heb echter veel voorbeelden gezien waarin één of twee professionals een leger vrijwilligers aansturen. Dat is denk ik de constructie waar wij veel meer naar toe moeten. Dus niet angstig zijn om die professional binnen te laten. Wij moeten de vrijwilliger in zijn waarde laten en de professional moet weten in wat voor organisatie hij komt en hij moet de taal van de vrijwilligers spreken.”
“De vrijwilligers aan de kant zetten zal een doodsteek zijn voor de Nederlandse sport. Maar het uitsluitend nog alles binnen boord willen houden met vrijwilligers, is een doodlopende zaak mijns inziens. De maatschappij is natuurlijk ongelooflijk veranderd en de sportvereniging is in veel gevallen veel te weinig mee veranderd. Ik ben sterk vóór de rol van de sturende professional in de sport, maar wel met een goed oog voor de vrijwilliger die hij aan moet sturen. We moeten echter ook niet doorslaan. Er is tegenwoordig geen club meer zonder beleidsplan. Natuurlijk is dat mooi. Maar er zijn ook clubs die op recreatief niveau gewoon een paar honderd mensen willen bezig houden. Maar als een kind bij zo’n vereniging echt goed is, dan moet hij ook naar een andere vereniging toe. Daar moet je ook reëel in zijn.”
“Je ziet veel bestuursleden die veel macht hebben binnen de vereniging. Zij hebben zich onmisbaar gemaakt door veel taken op zich te nemen. Ik zeg altijd dat als je jezelf onmisbaar maakt, je slecht leiding gegeven hebt. Dan doe je iets niet goed. Dat durft echter niemand tegen je te zeggen, want je bent onmisbaar. Het is wellicht goed bedoeld, want ‘als ik het niet doe, doet niemand het’. Ik ben er juist sterk voor dat je zoveel mogelijk mensen bij iets probeert te betrekken. Als je tegen zes of acht ouders zegt: ‘Als niemand leiding wil geven aan dit team, dan kan er geen competitie gespeeld worden’, dan is er altijd wel iemand die opstaat en het wil doen. Vaak vind deze persoon het nog leuk ook. In het hockey zijn er verenigingen die ouders laten tekenen om verplicht zes activiteiten per jaar te doen. Ze mogen dan zelf weten welke activiteiten. De combinatie om veel mensen erbij te betrekken, maar ook bepaalde zaken professioneler regelen, dat wordt belangrijk in de toekomst.”
Hans Slender
Volledig interview gepubliccerd in
Sportfacilities Magazine nr. 6 van 2005
Gertjan Verbeek over de topvoetballer als individu
18 maart 2007 - Hans Slender
Bij SC Heerenveen is de wetenschappelijke aanpak een bekend gegeven. In de trainingsvormen en krachttraining proberen zij zo veel mogelijk te individualiseren.