Home / weblog / sportmanagement / Adri Broeke
Adri Broeke, Lector Sportmanagement, over de ontwikkeling van de sport

Het Lectoraat Sportmanagement in Groningen is zich aan het ontwikkelen tot een kenniskring. Lector Sportmanagement Adrie Broeke erkent dat de sportwereld volop in beweging is. Nieuwe trends en ontwikkelingen volgen elkaar in hoog tempo op. Voor de gemiddelde sportbestuurder of sportmanager is het vaak maar moeilijk bij te benen. Ook de grote sportorganisaties lijken wel eens moeite te hebben met het bepalen van de richting waar we met zijn allen heen gaan. Hoe probeert de kenniskring de ontwikkeling van sportmanagers te sturen? Want een lector doet niet alleen onderzoek, hij probeert ook richting te geven aan de ontwikkeling van de sport.
“In het hoger beroepsonderwijs was men een aantal jaren geleden bang dat het niveau van de verschillende opleidingen aan het wegzakken was. Om het kennisniveau binnen de opleidingen op te krikken heeft men destijds het verschijnsel lectoraat bedacht. Een lector is een soort professor op een bepaald terrein, die zich echter niet alleen met onderzoek moet bezighouden, maar ook moet proberen om dat verder te ontwikkelen. Hij moet dus zorgen dat er bruikbare kennis beschikbaar is.”
“In de Verenigde Staten is het vakgebied sportmanagement veel ouder dan in Nederland. Dit komt doordat daar de noodzaak voor een professionele bedrijfsvoering van sportorganisaties groter was. In de Verenigde Staten wordt sport namelijk op een commerciële basis georganiseerd. In Nederland ligt er een vrijwilligers basis ten grondslag van de sportbeoefening. De grote sportbonden waren de eersten die in Nederland last kregen van de hoge mate van ‘amateurisme’ in de manier waarop sport georganiseerd werd. Mede uit die hoek kwam het initiatief om de praktijk ervaring die bestond binnen deze bonden te gaan koppelen aan de theoretische kennis uit vakgebieden zoals bedrijfskunde, waarvan de kennis op de universiteiten werd gevormd. Zo ontstond er een soort mix van universitaire kennis en werkveld ervaring, waaruit het vak van de praktijkgerichte sportmanager ontstond. De oorsprong van het vakgebied in Nederland ligt dus in de complexiteit van de vraagstukken die groter werd in vrijwillig sportland. Daarnaast begonnen naast de georganiseerde vrijwilligerssport ook de commerciële sport zich ongeveer twintig jaar geleden te roeren. Dit waren meestal op fitheid en gezondheid gerichte bedrijven. Daar wilde men van begin af aan op een effectieve en efficiënte manier het bedrijf runnen, want zij moesten de klanten kwaliteit bieden en geld verdienen. Door de behoefte aan professionalisering in de georganiseerde verenigingssport, de gemeentelijke sportbedrijven en door de opkomst van de commerciële sport, ontstond er behoefte aan kennis over het runnen van sportorganisaties. Het vakgebied sportmanagement kan dit invullen.”
“De sport heeft een heel belangrijke plaats verworven in de samenleving. Heel veel mensen vinden tegenwoordig dat sport een normaal onderdeel uitmaakt van een mensenleven. De participatie in de sport in Nederland is dan ook erg hoog. Ik zie de keuzemogelijkheden voor sport participatie in de toekomst alleen nog maar groeien. Er zullen steeds meer aanbieders komen die willen voorzien in de behoefte van sportbeoefening. Het gaat hier niet alleen om competitiesport, maar ook om meer ongeorganiseerde sport in bijvoorbeeld gezelligheidsclubs. Daar is zeker een grote markt voor. Er zullen dus ondernemers moeten komen die producten en diensten gaan aanbieden voor nog te weinig actieve groepen die daaronder vallen. De participatiesport is zeker een doorgroeiende sector, waarbinnen een marketingvraagstuk zich aandient hoe deze sportsector verder kan doorgroeien.”
“Er komt een ontwikkeling waarin amateurisme, ‘door elkaar en voor elkaar’ en het sociale gebeuren centraal staat naar commercialisering. Niet alleen leuke, sportieve aspect wordt belangrijk, maar ook het geld verdienen en zakelijk concurreren gaat een belangrijke rol vervullen. De oude sportwereld bestond uit liefhebbers en sterk betrokkenen, dit zal worden aangevuld met mensen die de sport willen gebruiken om winst te maken voor hun eigen bedrijf. Er komt een sportindustrie die uit verschillende segmenten zal bestaan; de publieke participatiesport, de commerciële sport en de entertainmentsport. Je ziet momenteel al de ontwikkeling dat de top van de participatiesport, de sportbonden, zich steeds meer gaan richten op de entertainment sector. Op regionaal, nationaal en internationaal niveau probeert men zich te schrikken naar de wensen van de tv-kijker. Ik denk dat hierdoor de band van de top van de sport met de verenigingen steeds minder zal worden. Er zal een soort tweedeling ontstaan van hechte kleine verenigingen met een belangrijke sociale functie in de directe leef- en woonomgeving en de grotere verenigingen en organisaties die zich meer gaan richten op een losjes gekoppelde sportconsument en/of kijkerspubliek. De grotere verenigingen zullen verschillende media gebruiken om geld te verdienen en sponsoren aan te trekken. Het verenigingsleven zal dus zeker niet verdwijnen, maar het zal wel een ander karakter krijgen.”
“De kleine ‘ons kent ons’ verenigingen zullen zeker blijven bestaan, maar er zal voor hen veel veranderen. Ik verwacht dat zij in de toekomst niet allemaal hun eigen accommodaties meer hebben. De overheid zal grote sportparken en sportcentra gaan inrichten, waar de verenigingen tijd en ruimte kunnen gaan huren om hun gezamenlijke activiteiten te gaan uitvoeren. De voetbalclubs, hockeyclubs en handbalclubs zullen elkaar daar ook gaan ontmoeten. Het kan gaan om omni-verenigingen, maar wellicht meer nog om aparte verenigingen, die gebruik maken van professioneel gerunde accommodaties van de overheid. De overheid steekt momenteel heel erg veel geld in de sportaccommodaties in Nederland. De locale overheid stopt er jaarlijks 1,5 tot 2 miljard in, als zij zouden afhaken, dan verdwijnt het gehele verenigingsleven. Om de verenigingen te laten voortbestaan moeten er namelijk wel velden, sporthallen en andersoortige accommodaties zijn. De locale overheid zal echter geen zin meer hebben om aan elke vereniging dezelfde ondersteuning te bieden en iedereen zijn eigen accommodatie verspreid over de wijken te geven. Ze zullen een houding aannemen van; kom maar bij ons of zoek het anders zelf maar uit. Er zal dus een concentratie komen van de kleine verenigingen naar een centrale positie in de stad.”
“De grotere verenigingen zullen gaan bouwen aan hun eigen accommodaties, aangezien hier toch een meer commerciële insteek geldt. Al zie je momenteel wel dat ook de grote verenigingen nog steeds erg veel overheidssteun nodig hebben om het hoofd boven water te houden. Voorlopig zal dit ook nog steeds nodig zijn. Maar op een gegeven moment zullen zijn zichzelf wel moeten kunnen redden. De professioneel opgeleide sportmanagers zullen meer deze kant van de sport opgaan. Net zoals op dit moment voor trainers betaald wordt, zal er straks ook voor managers betaald worden, net zoals dat in de professionele sport momenteel al gebeurd. De kleine verenigingen zullen blijven draaien op vrijwilligers. Zij zijn al blij als zij een paar trainers in dienst kunnen nemen. De sportmanagers zullen echter wel terecht komen bij de grotere sportcentra en gemeentelijke sportaccommodaties, waar de georganiseerde en ongeorganiseerde sport bij elkaar komt.”
“In de Verenigde Staten is de participatie in de sport heel erg laag. De zwaarlijvigheid is daar dan ook een nog groter maatschappelijk probleem. Dit terwijl zij vaak als voorbeeld dienen voor het sportmanagement in Nederland. De mediasport is in de Verenigde Staten veel beter geregeld dan in Nederland, er gaat ook veel meer geld in om. Qua participatiesport zal Nederland de VS dan ook niet gaan volgen. Er zijn verschillende partijen die belang hebben bij de participatiesport. Dat is de overheid, de zorgverzekeraars, het bedrijfsleven en uiteindelijk ook de consumenten zelf, hebben baat bij een goede volksgezondheid. Met onze geschiedenis in de participatiesport en met behulp van deze vier actoren zal de sport-participatiegraad in Nederland in stand gehouden worden. Hierbij moet ook nog wel een impuls komen in de sport op school. Vanaf het middelbaar onderwijs zouden leerlingen zelf keuzes moeten kunnen maken binnen de schoolsport. Door maatwerk te leveren zouden zij meer aan sport moeten en kunnen gaan doen. Denk aan twee uur lichamelijke opvoeding en daarnaast rondom de school een sfeer van elke dag even sporten. Hetzelfde is denkbaar binnen bedrijven, waar andere werktijden steeds meer zullen voorkomen en dit mogelijkheden geeft voor sportbeoefening voor, na of tijdens het werk. Dit is goed voor de mentale fitheid, ziekteverzuim en wellicht teamvorming van werknemers en leidinggevenden binnen een afdeling. Hier kan een samenwerking in ontstaan tussen de overheid, zorgverzekeraars, bedrijven en sportverenigingen. Praktijkgericht onderzoek en kenniscentra kunnen worden ingericht om deze ontwikkelingen te ondersteunen.”
Hans Slender
Volledig interview gepubliccerd in
Sportfacilities Magazine nr. 1 van 2005
Jos Alberts, sportmarketeer bij de FIFA, over een evenement
18 maart 2007 - Hans Slender
Toen ik een lezing bijwoonde van Jos Alberts omtrent het FIFA WK tot 20 in Nederland, werd mij duidelijk wat er kwam kijken bij de marketing van een sportevent.