Home / weblog / sportbeleid / ambush marketing bedreigt sportevenementen

Zijn topsportevenementen goed voor de breedtesport?

BreedtesportNederland wil graag bekend staan als evenementenland. We willen graag WK’s, EK’s en het liefst ook de Olympische Spelen organiseren. Met het geslaagde EK voetbal in het achterhoofd denken we dat we goed topsportevenementen kunnen organiseren. Bovendien vinden we het leuk. Zonder steun van de politiek komen topsportevenementen echter niet van de grond. Hier komen andere argumenten om de hoek kijken. We moeten de economische meerwaarde kunnen aantonen, de implicaties voor het imago voor de stad of land en liefst ook de positieve gevolgen voor de breedtesportbeoefening. Joost Kock, student van de Hogeschool Arnhem Nijmegen, deed in opdracht van het Platform Sporteconomie onderzoek naar de meerwaarde van topsportevenementen voor de georganiseerde sport in Nederland.

Draagvlak
Een groot topsportevenement zoals de start van een grote wielerronde of een WK of EK van een gerenommeerde sport vergt draagvlak van de lokale omgeving, ook bij mensen die minder affiniteit hebben met deze sport. Een veelgebruikte manier is het bewezen effect dat de bestedingen rondom het evenement vaak een economische impuls voor de regio met zich meebrengen. Naast deze economische impuls is een positieve uitwerking op de breedtesportbeoefening ook een manier om draagvlak te creëren. Van Bottenburg toonde jaren geleden al aan dat prestaties van topsporters geen lange termijn effect hebben op de breedtesporters binnen deze sport. Het zogenaamde ‘Ard-en-Keessie-effect’ bleek niet te bestaan. Sindsdien wordt algemeen aangenomen dat topsport en breedtesport twee losstaande entiteiten zijn, terwijl ze niet zonder elkaar kunnen. De prestaties van één bepaalde topsporter blijken geen lange termijn effect te hebben, maar hoe staat dit met de organisatie van een topsportevenement?

Niet vanzelfsprekend
Door middel van interviews zijn mensen die zich theoretisch en praktisch met dit onderwerp bezig houden bevraagd. Er is voornamelijk gekeken of de sportverenigingen profijt hebben van topsportevenementen in de stad. Al snel bleek dat er geen vanzelfsprekend verband blijkt te bestaan. Er moeten specifieke acties ondernomen worden om mensen te activeren om naast kijken ook zelf actief te sporten. Vanuit de organisatie van de topsportevenementen blijkt er weinig animo te zijn om hierin het initiatief te nemen. Zij richten zich voornamelijk op het binnenhalen van zoveel mogelijk bezoekers en de daadwerkelijke organisatie. De sportstimuleringsorganisaties, zoals de provinciale sportraden, hebben als primaire rol het evenement in te zetten om breedtesport te stimuleren. Om deze gescheiden entiteiten bij elkaar te brengen zou de overheid een actieve rol kunnen spelen. Ware het niet dat het binnen de verschillende overheden (provincie en gemeenten) vaak onduidelijk is wie waar verantwoordelijk voor is.

Verenigingen
De verenigingen zelf hebben vaak problemen om het topsportevenement op een juiste manier te benutten. Zij zijn veelal niet in staat om leden te werven rondom een topsportevenement. Ook zien ze het nut er niet zo van in. Het gevolg is dat bij de side-events veelal kinderen deelnemen die al lid zijn van de desbetreffende sport of slechts eenmalig deelnemen, maar de weg naar de sportvereniging niet weten te vinden. Om ook de niet-actieve kinderen te betrekken lijkt de samenwerking met scholen onontbeerlijk. Via scholen kunnen alle kinderen bereikt worden en kunnen ze in de slipstream van het topsportevenement meegezogen worden in de sportbeoefening.

Rotterdam en Vuelta Drenthe
SportvalleyJoost Kock deed onderzoek rondom de start van de Vuelta in Assen en topsportstad Rotterdam. In Rotterdam blijkt er veel ervaring te zijn met verschillende evenementen, waardoor zij beleidsmatig kunnen kiezen voor een integrale aanpak. Om in aanmerking te komen voor overheidssteun moet er in een vroeg stadium worden uitgesproken dat het evenement een link wil maken naar de breedtesport. Dan kunnen bonden, verenigingen en scholen bij elkaar gebracht worden om een stimuleringstraject op te starten. Ook rondom de Vuelta is dit geprobeerd. “Meteen na de presentatie van de Vuelta hebben we met een aantal verenigingen afgesproken dat we het samen moesten gaan doen. Je moet gewoon met één plan komen met alle verenigingen,” aldus Marcel Biesheuvel, de voorzitter van een Drentse wielerclub. Het voordeel voor de organisatie was dat naast initiatieven als side-event Sportvalley en de toertocht er vanuit deze verengingen vele vrijwilligers beschikbaar kwamen. Als dit goed opgezet wordt, is het zelfs mogelijk dat het ook nog extra bezoekers oplevert.

Toekomst
Een topsportevenement is reclame voor de desbetreffende sport, maar niet automatisch ook reclame voor de lokale sportvereniging. Rondom grote evenementen gaat er vaak ook veel geld naar sportstimulering, waarbij het rendement vaak niet wordt aangetoond. Juist een integrale aanpak kan het effect vergroten. Door bijvoorbeeld via scholen kinderen al warm te krijgen voor een evenement en door vervolgacties van verenigingen na het evenement, kan optimaal geprofiteerd worden van de inspiratie en aandacht die een topsportevenement met zich meebrengt. Ook de organisatoren en bonden moeten in gaan zien dat deze integrale aanpak ook meerwaarde heeft voor het evenement zelf. Het vergroot het draagvlak bij de overheid en de lokale bevolking en kan extra dynamiek geven aan het evenement zelf. Hierin is nog een wereld te winnen.

Joost Kock (1989) onderzocht in het kader van zijn afstuderen aan de Hogeschool Arnhem Nijmegen bij de opleiding Sport, Gezondheid en Management, de relatie tussen topsportevenementen en de breedtesportbeoefening.

Hans Slender (1982) is docent sportmanagement bij de Hanzehogeschool Groningen, Instituut voor Sportstudies. Daar maakt hij onderdeel uit van het Lectoraat Sportwetenschap en hij participeert in de Werkgroep Evaluatie Sportevenementen.

Gepubliceerd in Sport & Strategie