Home / weblog / sportbeleid / vijftien jaar privatisering: de stand van zaken
Vijftien jaar privatisering: de stand van zaken
Begin jaren negentig werd er gestart met de grootschalige privatisering van sportaccommodaties. Na de kerntakendiscussie binnen gemeenten eind jaren tachtig, kwamen veel gemeenten tot de conclusie dat het beheren van sportaccommodaties niet meer tot hun kerntaken behoorde. In het begin werden vooral kleine taken afgestoten en behield de gemeente de verantwoordelijkheid over de lange termijn. De gemeente houdt wettelijk de verantwoordelijkheid over het uitvoerend werk in de sport binnen de gemeentegrenzen. De provincie heeft meer een ondersteunende functie en het Rijk heeft een ondersteunende functie in het landelijk sportbeleid. Inmiddels is het privatiseren echter steeds verder doorgevoerd en veel gemeenten zijn er nog steeds actief mee bezig. Wat heeft vijftien jaar privatiseren ons gebracht?
Het afstoten van gemeentelijke taken richting de vereniging kan in vele gradaties voorkomen. Zo kan er gestart worden met het afstoten van kleine taken als klein onderhoud, groenonderhoud en dergelijke. Deze vorm van verzelfstandiging wordt contractmanagement genoemd. Er worden afspraken gemaakt tussen de gemeente en de vereniging over waar de verschillende taken komen te liggen en wat de gevolgen zijn voor de huurkosten. De verzelfstandiging kan verder worden doorgevoerd als er een privaatrechtelijke rechtspersoon wordt opgericht (stichting, BV of NV) die in handen is van de gemeente (verregaande verzelfstandiging) of een commerciële instelling (privatisering). De gemeente en de rechtspersoon sluiten een overeenkomst waarin wordt vastgelegd welke taken worden overgedragen. De gemeente stelt een aantal eisen aan de exploitant, dit vanwege de verantwoordelijkheid die de gemeente in principe houdt. Hierover moet tussen de exploitant en de gemeente onderhandeld worden. Zaken die besproken worden zijn gemeentelijke subsidies, gemeentelijke eisen, garanties in onderhoud, aansprakelijkheid, sancties en dergelijke. Privatisering is de meest vergaande vorm van zelfstandiging voor sportaccommodaties, een vorm die nog steeds meer doorgevoerd wordt.
Het initiatief voor de privatisering zal in veel gevallen bij de gemeente liggen, die dit in hun beleid vastgelegd heeft. Dit wil echter niet zeggen dat de gemeente de enige winnaar is bij een goede privatisering. Het is in principe altijd de bedoeling een win/win situatie te creëren. Voor de gemeente ligt vaak aan het privatiseringsbeleid ten grondslag dat zij vinden dat het onderhoud van gebouwen niet tot hun kerntaken behoort. Natuurlijk speelt vooral het financiële aspect een grote rol, want het onderhouden van accommodaties is een dure aangelegenheid. Vooral voor het onderhoud van sportkantines willen gemeente niet graag financieel verantwoordelijk zijn, aangezien deze feitelijk niks met sport te maken hebben. Ook een voordeel voor de gemeente is dat de verkoop van een accommodatie, ondanks dat dit vaak ver onder marktwaarde plaatsvindt, de gemeente in staat stelt de boekwaarde van de accommodatie in één keer af te schrijven. Op haar beurt krijgt de vereniging met de privatisering meer vrijheid. Het onderhoud kan sneller en efficiënter plaatsvinden en er is de mogelijkheid een stuk zelfwerkzaamheid aan de dag te leggen. Verder blijken veel gemeenten slecht in staat in te springen op de nieuwste ontwikkelingen in de markt. De specifieke marketingkennis en het vermogen om de juiste innovaties te verrichten blijken in commerciële organisaties beter te verlopen. Al met al voldoende reden om tot privatisering over te gaan.
Waar het privatiseren in veel gevallen enkel voordelen leek op te leveren voor beide partijen, blijkt in praktijk dat er toch risico´s kleven aan het privatiseren. Commerciële instellingen en verenigingen hebben vaak andere doelstellingen als gemeenten. Dit kan tot gevolg hebben dat na de privatisering er ondanks de gebruikersovereenkomst ontwikkelingen plaatshebben die nadelig uitpakken. De instelling of vereniging zal financieel rond moeten komen en moet daardoor vaak keuzes maken. Zo kan het zijn dat de accommodatie op minder rendabele uren gesloten wordt, dat de contributies of entreeprijzen omhoog moeten, of dat het onderhoud wat blijft liggen. Net als voor gemeenten kan het ook voor verenigingen moeilijk zijn om voldoende in te spelen op de snel veranderende markt. Ook voor het personeel en de vrijwilligers kan het moeilijk zijn om in de nieuwe situatie zich thuis te voelen. Beide partijen hebben in dergelijke gevallen wellicht wel financieel voordeel gehad bij de privatisering, maar het is wel ten koste gegaan van de kwaliteit van het sportproduct.
De laatste cijfers van het CBS inzake de stand van zaken van sportaccommodaties in Nederland dateren uit 2000. Hierin is echter al duidelijk waar te nemen dat de privatisering snel doorgezet wordt. Van de overdekte sportaccommodaties werden er in 1988 nog maar 38% particulier geëxploiteerd, in 2000 was dit al 56%. De privatisering van buitensportaccommodaties gaat minder snel. In dezelfde periode vond hierin een stijging plaats van 13% naar 21%. Vooral opvallend is dat hierbij de totale exploitatie gestegen is van 167 miljoen Euro naar 467 miljoen Euro. Waar de gevolgen dus wel eens nadelig uitpakken voor het onderhoud, blijkt dat de accommodaties financieel wel steeds beter geëxploiteerd worden. Het aantal accommodaties neemt in deze periode nauwelijks meer toe, de winst zit hem vooral in de manier waarop de accommodaties gebruikt worden.
Een denkbaar scenario is dat de privatisering zich doorzet zoals deze nu plaats
vindt en dat verenigingen de kennis inhuren in de vorm van een sportconsultant. Stel dat vier of vijf verenigingen gezamenlijk een sportprofessional inhuren om richting te geven aan het beheer van de sportaccommodatie. Deze persoon kan adviseren in de manier van exploiteren, efficiënt onderhoud en wellicht kunnen er door samenwerking met andere verenigingen ook schaalvoordelen optreden. Dat er in de nabije toekomst meer betaald personeel zal rondlopen bij verenigingen is niet ondenkbaar. Het kan handig zijn als er hierbij uitwisseling tussen verenigingen plaatsvindt in drukkere periode voor de ene vereniging en minder drukke voor de andere. Hetzelfde geldt natuurlijk ook voor de mensen die het onderhoud van de accommodaties moeten uitvoeren, ook zij kunnen gezamenlijk aangestuurd worden.
Volgens het ministerie van VWS zijn de resultaten van de privatisering van sportverenigingen vaker positief dan negatief te noemen. Vooral financieel blijken alle partijen de privatisering positief te noemen. In de afgelopen vijftien jaar is er op dit gebied veel werk verzet en de kans is groot dat de trend wordt doorgezet. Belangrijk is dat er goede afspraken worden gemaakt en dat voor beide partijen duidelijk is wat zij van de privatisering verwachten. Om als vereniging te kunnen concurreren met commerciële sportorganisaties is privatiseren niet altijd de oplossing. Belangrijk is in ieder geval dat als de stap wel gezet wordt, de vereniging en/of de gemeente voldoende kennis binnenhaalt om de accommodatie op een goede manier te exploiteren, waarbij er in het onderhoud rekening wordt gehouden met de eisen die in de toekomst aan sportaccommodaties gesteld zullen worden.
Hans Slender
Het gehele artikel werd gepubliceerd in
SportfacilitiesMagazine nr. 2 van 2006
Conditietraining bij de jeugd van FC Utrecht
25 oktober 2007 - Hans Slender
Alessandro Schoenmaker is loop- en conditietrainer bij de jeugd van FC Utrecht. Hij praat over periodiseren, looptraining, individualiseren en lichaamsoefeningen.